Column Arischia

Nog een column voor Buonissimo:

ARISCHIA

Ik was 22 jaar toen ik voor het eerst in Arischia kwam, een klein bergdorpje, op 12 kilometer afstand van de Abruzzese stad l’Aquila.  Ik was meegenomen door mijn lief, wiens moeder in het dorp geboren was. In de zomer, vooral rond de nationale feestdag Ferragosto (15 augustus) komen hele families samen op de plaats waar de stamboom haar wortels schoot. Voor mijn schoonfamilie is dat Arischia en inmiddels is het ook voor mij mijn tweede huis.

Mijn man en ik hebben er sinds jaren een eigen huisje, aan een pleint met een fontein.  Aan de achterkant van ons huisje loopt de ‘vicolo’ van onze familie.  Slechts twee huizen zijn bewoond. Een Macedonische familie huurt een huis van een nicht. Een ander huis is van een oom, die aan de betere kant van het dorp een villa heeft gebouwd. De ex-vrouw van zijn zoon bewoont het huis nu.

De rest van de straat is uitgestorven. Vroeger waren het schuren voor (graan-)opslag of dieren. Kippen, varkens en schapen werden er gehouden. Ieder jaar na Kerstmis werd er eigenhandig een varken geslacht, dat tot het laatste oortje werd versnoept. De laatste noemde “Stefano”, omdat hij op tweede kerstdag (Santo Stefano) aan zijn einde kwam. Dat was eind jaren tachtig.

De schuren werden een voor een omgebouwd tot bewoonbare huizen voor de volgende generatie.  Het waren de ouders van mijn schoonmoeder, die wegtrokken uit het dorp en zich in Rome  vestigden. In de jaren vijftig/zestig liep zo het halve dorp leeg. Van de familie bleef alleen de jongste oom (nu bijna tachtig) achter, maar hij verliet het steegje. De jongere generaties komen er nu slechts in de zomer, als het te warm is in Rome.

Arischia winter

Arischia, ideale vluchtplek

Het is de ideale plek om even weg te vluchten uit de drukte van de chaotische metropool. Op ruim een uur rijden bevinden we ons dan in de stilte van het dorp, dat aan onze kant, grotendeels verlaten is. In de zomer zijn er drie keer zoveel bewoners en hoe geweldig die gezellige familiedrukte ook kan zijn, eigenlijk zijn we er het liefst in de winter, wanneer het haast uitgestorven lijkt.

De tijd staat er altijd even stil, in het dorp. Alles verloopt volgens een bepaald soort ritueel. De ongeschreven (gedrags-)regels waar de Italiaanse maatschappij van doordrongen is, lijkt er in het kwadraat te gelden. Als je daarin meegaat, zal niemand je opmerken. Maar je moet het je wel een beetje eigen maken.

Dat heeft voor mij, als Noorderlinge, even geduurd. Ook de dorpelingen moesten wennen aan “la straniera”.  Alleen van een oude weduwe, die met haar man (mijnwerker) in België had gewoond, kreeg ik vaak een veelbetekenende blik. “Ik mis de koffiekoeken en het uitgaan met vriendinnen”, zei ze vaak. “We waren daar veel vrijer, als vrouw.” Toch kwam ook Ermelinda na de dood van haar man, terug naar haar geboortedorp, waar ze – zoals het weduwe betaamt – enkel nog in zwart gekleed gaat.

Vrouwen in Arischia

Het sociale leven van de mannen en vrouwen in Arischia lijkt gescheiden. De bar is voor de mannen. Daar kom ik ze ’s morgens tegen. In het barretje onderaan de smalle weg  dat naar ons familiestraatje kruipt. Het is er altijd druk. Ze komen er voor hun koffie, de (sport)krant en nemen er met elkaar hun eigen  wereldnieuws  door. Ze zitten aan plastic tafeltjes en vaak wordt er ook wat  gekaart. Zodra ik het barretje nader, verstomt het gesprek. Ik vraag me altijd af welke geheimen er over tafel gaan, die voor vrouwenoren niet geschikt zijn. Ik bestel mijn kranten, betaal en loop weg. Al die tijd is het akelig stil. Als ik tien passen verwijderd ben, lijkt de betovering verbroken en gaat het leven er weer door.

Het plein is van de vrouwen. Ze ontmoeten elkaar in de koelte van de avond. Dan zetten ze zich op een stoeltje of krukje op het plein. Vaak voor de deur van de oudste pleinbewoonster.  De meeste zijn in weduwezwart gekleed.  De rest draagt de hele dag een keukenschort.  Ze hebben de grootste lol en af en toe ga ik er bij zitten. Dat kan inmiddels, hoewel ik het zware ‘Arischiese’ dialect nog niet machtig ben. Maar voor de dorpsbewoners hindert dat niet. Ik heb me de regels eigen gemaakt. Ik hoor bij de vrouwen. Ik ben opgenomen in het dorp.